donderdag 8 maart 2012

Oprit

Al fietsend naar mijn bestemming probeerde ik mijn hoofd te ledigen. Ik moest stoppen voor een kruispunt. Er reden veel auto's langs. Het was een druk moment, maar het vreemde was dat de auto's zeer traag leken te rijden. Elke bestuurder leek mij eindeloos aan te staren alsof mijn aanzien het hoogtepunt van hun dag was. Ik stak de weg over en draaide sierlijk naar links. Ik fiets namelijk zeer sierlijk. Zo voelt het althans aan van mijn oogpunt.
Quasi aangekomen op mijn bestemming duw ik op beide remmen en hef ik mijn rechterbeen over het frame van mijn fiets. Hup, fiets in de klem. Ik vind het telkens zo een seksueel gebaar, een fiets in een fietsklem duwen. Daar stond ze dan op mij te wachten. Ze ziet eruit zoals ik wil dat ze er uitziet. We praten over hetgeen ik wil praten. We wandelen naar waar ik naartoe wil wandelen terwijl we elkanders hand vasthouden.
We wandelen langs mijn thuis. Mijn broer roept naar mij waarop zij snel wegrent. Ik verstijf helemaal.
"Wat was je aan het doen?", vraagt mijn broer terwijl hij naar me kijkt alsof ik iemand ben die hij voor de eerste keer ontmoet. "Ik was gewoon..." Verder dan dit gestamel kwam ik niet.
"Je was tegen jezelf aan het praten en je hield je eigen hand vast. Is er soms iets met jou?" Ik had blijkbaar mijn linkerhand de hele tijd zo hard vastgehouden met mijn rechterhand dat mijn vingertoppen volledig wit waren door een tekort aan bloed. Langzaam sijpelde de realiteit binnen. Die lelijke realiteit dat er iets mis is met mij. Ik lijk het allemaal niet meer aan te kunnen.
Stilletjes ga ik op de kiezeltjes liggen. Sommige steentjes porren in mijn zij, maar ik vind het allemaal niet meer zo erg. Er verschijnt een vreemde lach op mijn gezicht. Ik ben de gelukkigste persoon ter wereld en zal nu voor eeuwig slapen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen